Sinds 1 juli 2022 is het verplicht om op elke verdieping van een woning een rookmelder te hebben. Voor het plaatsen van deze rookmelders is de eigenaar van de woning verantwoordelijk. Bij een huurwoning ligt die verantwoordelijkheid bij de verhuurder. Maar hoe is dit geregeld bij een pastorie? En wie draagt in dat geval zorg voor het onderhoud?
Volgens de Generale Regeling voor de Predikantstraktementen en Predikantspensioenen (GRPP) stelt de gemeente aan de predikant een ambtswoning ter beschikking. Daarbij is geen sprake van (ver)huur of een huurovereenkomst.
In artikel 5, lid 4 van de GRPP is vastgelegd dat de kosten voor onderhoud en reparaties aan de ambtswoning, die op grond van het Burgerlijk Wetboek voor rekening van een huurder zouden komen, door de predikant worden gedragen. Alle overige lasten en onderhoudskosten zijn voor rekening van de gemeente. In het verlengde hiervan, en gelet op het uitgangspunt dat de eigenaar of verhuurder verantwoordelijk is voor de plaatsing van brandmelders, wordt aangenomen dat het aanbrengen van rookmelders in een pastorie behoort tot de verantwoordelijkheid van het college van kerkvoogden. Naast de plaatsing is ook het regelmatig controleren van de rookmelders, het uitvoeren van onderhoud en het zo nodig vervangen van de batterijen van belang. Voor deze taken kan de huurder verantwoordelijk worden gehouden. In de kerkelijke setting betreft dit de pastoriebewoner.
Het is daarom belangrijk om hierover duidelijke afspraken te maken met de pastoriebewoners en deze afspraken ook vast te leggen en te bevestigen. Dit helpt om misverstanden te voorkomen.
Meer informatie over de regelgeving en het gebruik van rookmelders is te vinden op de website van de Rijksoverheid.